Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP3660

Datum uitspraak2004-06-04
Datum gepubliceerd2004-06-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers112822
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Bewind; Faillissementsrecht. Ten aanzien van het primair gevorderde overweegt de voorzieningenrechter dat vaststaat dat FDE op dit moment failliet is en dat Y handelt als curator in plaats van bewindvoerder. In dat licht bezien hebben FDE en X, voorhands geoordeeld, thans geen belang bij het primair gevorderde. Het gevorderde zal op dat punt dan ook worden afgewezen. Ten aanzien van het subsidiair gevorderde overweegt de voorzieningenrechter het volgende. FDE en X wijzen op een situatie die zich in de toekomst, te weten na vernietiging van het faillissementsvonnis door het gerechtshof, zou kunnen gaan voordoen. Of de vordering dán voor toewijzing in aanmerking komt, dient op basis van de zich dan voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Daarover kan thans niet worden geoordeeld. Reeds daarom moet ook de subsidiaire vordering worden afgewezen.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 112822 / KG ZA 04-280 Datum vonnis: 4 juni 2004 Vonnis in kort geding in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FINANCIËLE DIENSTVERLENING B.V., gevestigd te Hengelo, 2. X, h.o.d.n. “Financiële Dienstverlening X” dan wel “Financiële Dienstverlening Europa” wonende te A, eisers bij dagvaarding van 29 april 2004, procureur mr. J.C.N.B. Kaal, advocaat mr. F.M. van Hasselt te Amsterdam, tegen MR. Y, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van “Financiële Dienstverlening Europa BV”, wonende te B, gemeente C, kantoorhoudende te Nijmegen, gedaagde, procureur mr. W. Y. Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk FDE, X en Y. Het verloop van de procedure FDE en X hebben Y ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. FDE en X hebben ter zitting hun eis gewijzigd - waartegen gedaagde zich niet heeft verzet - in die zin, dat voor zover het gevorderde niet zonder meer wordt toegewezen het gevorderde in ieder geval wordt toegewezen onder de voorwaarde dat het faillissementsvonnis van de rechtbank Almelo wordt vernietigd, dan wel dat het uitgesproken faillissement ten einde komt. Y heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaat van FDE en X heeft de zaak bepleit en Y heeft de zaak toegelicht, beiden overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Aan het eind van de mondelinge behandeling (d.d. 7 mei 2004) is de zaak pro forma aangehouden waarna bij brief van 27 mei 2004 door de advocaat van FDE en X en bij brief van 28 mei 2004 door Y vonnis is gevraagd. Ten slotte is vonnis bepaald op 4 juni 2004. De vaststaande feiten 1. FDE en X verrichten activiteiten op het gebied van financiële dienstverlening, met name het bemiddelen bij de verzekering en de financiering van ondernemingen en zaken van particulieren waaronder het bemiddelen bij het afsluiten van hypotheken. 2. Bij beschikking van de rechtbank Almelo is Y op 23 maart 2004 op grond van artikel 29 lid 1 onder b van de Wet op de economische delicten aangesteld als bewindvoerder van FDE. 3. FDE en X hebben tegen voornoemde beschikking hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem heeft de beschikking van de rechtbank Almelo op 21 april 2004 bevestigd. Daartegen hebben FDE en X cassatieberoep aangetekend. 4. De advocaat van FDE en X heeft Y bij brief van 28 april 2004 aansprakelijk gesteld voor de schade die FDE en X lijden als gevolg van het door Y te buiten gaan van zijn bevoegdheden en opdracht als bewindvoerder. 5. Bij vonnis van 7 mei 2004 heeft de rechtbank Almelo het faillissement van FDE uitgesproken waarbij Y is aangesteld als curator. 6. Op 28 mei 2004 heeft de rechtbank Almelo Y ontslagen als bewindvoerder over FDE onder de voorwaarde dat indien het gerechtshof Arnhem in hoger beroep of de Hoge Raad in cassatie het faillissement vernietigd, het bewindvoerderschap van Y over FDE herleeft. Het geschil 1. Na wijziging van eis vorderen FDE en X primair dat de voorzieningenrechter Y zal bevelen zijn functie als bewindvoerder behoorlijk na te komen en de onderneming voor wat betreft haar activiteiten die geen betrekking hebben op het aantrekken van opvorderbare gelden voort te zetten en het personeel toegang te verschaffen tot kantoor en de salarissen van het personeel uit te betalen en zich te onthouden van alle handelingen die de gebruikelijke legale bedrijfsuitoefening tegenwerken of feitelijk onmogelijk maken en voorts Y zal bevelen alles te doen en na te laten dat nodig of wenselijk is om de uitoefening van het bedrijf van FDE en X mogelijk te maken. Subsidiair vorderen FDE en X het hiervoor weergegevene onder de voorwaarde dat het faillissementsvonnis van de rechtbank Almelo wordt vernietigd, dan wel dat het uitgesproken faillissement ten einde komt. 2. FDE en X leggen aan hun vordering ten grondslag dat - kort gezegd - Y onrechtmatig jegens FDE en X handelt door zijn wettelijke taken en bevoegdheden als bewindvoerder te buiten te gaan. Hierdoor lijden FDE en X onherstelbare schade. 3. Y voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan. De beoordeling van het geschil 1. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de absolute bevoegdheid ambtshalve dat de strekking van hetgeen FDE en X stellen is dat Y onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door in strijd met zijn wettelijke opdracht te handelen. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter (in kort geding) gegeven. 2. De voorzieningenrechter acht zich ook relatief bevoegd om van het onderhavige geschil in kort geding kennis te nemen nu Y het beroep op relatieve onbevoegdheid ter zitting heeft laten varen. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter op artikel 1:14 BW, dat bepaalt dat (onder meer) een persoon die een kantoor houdt ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor betreffen mede aldaar woonplaats heeft. 3. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van eisers. 4. Ten aanzien van het primair gevorderde overweegt de voorzieningenrechter dat vaststaat dat FDE op dit moment failliet is en dat Y handelt als curator in plaats van bewindvoerder. In dat licht bezien hebben FDE en X, voorhands geoordeeld, thans geen belang bij het primair gevorderde. Het gevorderde zal op dat punt dan ook worden afgewezen. 5. Ten aanzien van het subsidiair gevorderde overweegt de voorzieningenrechter het volgende. FDE en X wijzen op een situatie die zich in de toekomst, te weten na vernietiging van het faillissementsvonnis door het gerechtshof, zou kunnen gaan voordoen. Of de vordering dán voor toewijzing in aanmerking komt, dient op basis van de zich dan voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Daarover kan thans niet worden geoordeeld. Reeds daarom moet ook de subsidiaire vordering worden afgewezen. 6. Ten overvloede wordt het volgende overwogen. FDE en X hebben aangevoerd dat Y als bewindvoerder van FDE handelingen heeft uitgevoerd, heeft doen ontstaan of heeft laten bestaan die er feitelijk in hebben geresulteerd dat de onderneming van FDE is stilgelegd, terwijl een onderbewindstelling juist niet hetzelfde kan en mag zijn als een stillegging. De wetgever heeft immers beide mogelijkheden naast elkaar in de wet opgenomen. 7. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat Y de onderneming niet heeft stilgelegd. Y heeft onder meer, ter voorkoming van het door FDE (en/of X) in strijd met de wet aangaan van bepaalde transacties, op 26 april 2004 een brief verzonden naar de personen (voor zover bekend) die aan FDE dan wel X gelden hebben geleend. In die brief heeft Y onder meer aangegeven dat de voorlopige conclusie is dat “noch mevrouw X, noch FDE B.V. aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. De door mij aangetroffen activa zijn uitermate bescheiden van omvang en zeker niet toereikend om de ingeleende gelden terug te betalen. Bovendien is geconstateerd dat al sedert geruime tijd lopende financiële verplichtingen voor het grootste deel werden voldaan door het aantrekken van nieuwe geldleningen, waardoor de schuldenlast alleen maar groter is geworden.” Bovendien heeft Y bij brief van 27 april 2004 aan notariskantoor Kienhuis Hoving (als reactie op vragen van Kienhuis Hoving) aangegeven dat “ik zag daarentegen geen bezwaar tegen het passeren van hypotheekakten, waarbij FDE alleen maar als tussenpersoon is betrokken en waarbij (...) de provisie rechtstreeks door de hypotheekbank aan FDE wordt vergoed. Als er met de hypotheekakte verder niets mis is, zou ik niets weten te verzinnen wat zich tegen het verlenen van uw medewerking zou verzetten.” Tenslotte heeft Y ter zitting, als reactie op de stelling van FDE en X dat hij de onderneming feitelijk zou hebben stilgelegd, aangegeven dat hij na zijn benoeming tot bewindvoerder op 23 maart 2004, een maand heeft gewacht met het naar derden kenbaar maken van zijn aanstelling als bewindvoerder. Dit is door FDE en X niet betwist. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat Y de onderneming heeft stilgelegd. Het feit dat hij bepaalde werknemers de toegang tot het kantoor van FDE heeft geweigerd, maakt dat niet anders. 8. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen FDE en X in de kosten van dit kort geding worden verwezen. De beslissing De voorzieningenrechter 1. weigert de gevorderde voorzieningen; 2. veroordeelt FDE en X in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Y bepaald op € 703,- voor salaris procureur en op € 241,- voor verschotten. Dit vonnis is gewezen door mr. H.Æ. Uniken Venema, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 4 juni 2004. de griffier de rechter